27 juli '13: G.F. Händel & J.A. Hasse

Johann Adolf Hasse (1699 – 1783)

Mis in d klein

Georg Friedrich Händel (1685 – 1759)

Coronation Anthems

 

zaterdag 27 juli 2013, 16u
Sint-Michielskerk, Sint-Michielsplein, Gent

------------------------------------

 

Händel’s Coronation Anthems uit 1727

Händel schreef de vier kroningsanthems voor koning George II en zijn vrouw Carolina von Ansbach op diens uitdrukkelijk verzoek. Geen wonder, want de nieuwe koning en Händel kenden elkaar en waren om zo te zeggen streekgenoten. Händel’s geboortestad Halle a/d Saale ligt in Sachsen-Anhalt, wat grenst aan de thuisbasis van het huis van Hannover, het keurvorstendom Braunschweig-Lüneburg. De keurvorst van Hannover was, sinds de Settlement Act van 1701, tegelijk ook koning van Groot-Brittannië.

Voor Zadok the priest en Let thy hand be strengthened gebruikte Händel teksten uit de kroningsceremonie van 1685. Bij Zadok voegde hij daar respectievelijk een „Alleluja“ en „Amen“ aan toe. De teksten voor beide andere anthems koos hijzelf uit de Bijbel en The Book of Common Prayer.

In de partituur van The King shall rejoice noteerde Händel dat hij voor de uitvoering ervan graag de beschikking had gekregen over een koor van in totaal 47 zangers: 12 sopranen, 7 eerste en evenveel tweede alten, tenoren en eerste en tweede bassen. Hij vermeldt ook zijn favoriete solisten bij naam: Hughes (A), Freeman (A), Church (T), Wheely (B) en Gates (B). Uiteindelijk konden er niet meer dan 40 zangers gevonden worden, en daaronder waren er ook operazangers. Het orkest was echter ten minste dubbel zo sterk bezet. Eén krant maakte gewag van meer dan 100 musici, The Norwich Gazette zelfs van 160.

Volgens aartsbisschop William Wake van Canterbury, wiens annotaties over het verloop van de plechtigheid bewaard bleven, liep het tijdens de uitvoering goed fout. De uitvoerders stonden in twee gescheiden blokken opgesteld links en rechts van het altaar, zij konden elkaar niet zien en er waren verschillende versies in omloop waren van de volgorde van de uit te voeren stukken. Als gevolg daarvan zong één deel van het koor de anthem The King shall rejoice, terwijl het andere deel Let thy hand be strengthened aanhief. Händel hield er een jarenlange frustratie aan over. Ter gelegenheid van de volgende kroningsceremonie, in 1760, getuigde de componist William Boyce: “The Late Mr. Händel […] often lamented his not having that part of the Altar taken away, as He, and all the Musicians concerned, experienced the bad effect it had by that obstruction”.

Voor het latere succes van de Coronation Anthems had dit incident geen gevolgen. Zadok the Priest werd bij elke volgende kroningsceremonie herhaald, My Heart is inditing besloot de Händelherdenking in 1784 n.a.v. de vermeende (foute) honderdste verjaardag van Händel’s geboorte en de vier anthems zijn sindsdien niet meer uit het populaire Händel-repertoire weg te denken. De intro van Zadok the Priest werd gebuikt als filmmuziek in een achttal films en TV series en voor de UEFA Champions League Anthem.

Het succes van de Coronation Anthems valt gedeeltelijk te verklaren door de trefzekerheid waarmede Händel een atmosfeer schept van luister en praal – die de luisteraars van vandaag onmiddellijk doet denken aan de meest briljante koorinterventies uit Messiah - o.m. door de inzet van een trompettenkoor. Dat trompettenkoor is vrijwel afwezig in My Heart is inditing en daar is een goede reden voor: in de oorspronkelijke volgorde van de ceremonie kwam dit anthem na een fanfare met trompetten voor de eigenlijke kroning. Händel hoefde dus niet nog meer kopergeweld toe te voegen. Hij beperkt de trompetten daar als “zwelpedaal” respectievelijk bij de tekstherhaling op “My Heart is inditing” aan het begin en op “Kings shall be thy nursing fathers, and Queens thy nursing mothers” aan het slot.

 

Johann Adolf Hasse’s Mis in d klein

De Godsdienstvrede van Augsburg [1555] voorzag in de vorming van homogene Lutherse en katholieke gebieden al naargelang de geloofsovertuiging van de heersende vorst – het zogenaamde Cuius regio, illius religio principe [„Wiens gebied, diens gebed“]. Deze regeling had niet alleen een religieuze dimensie. De gevolgen waren zowel politiek, economisch, sociaal, cultureel en zelfs artistiek.

Zo ging de Saksische keurvorst August de Sterke in 1697 tot het katholieke geloof over om tot Koning van Polen te kunnen worden gekroond en werd in het Lutherse Dresden dus de Rooms-katholieke eredienst ingevoerd. Met het oog op een aanstelling als Hofcompositeur aan het Pools-Saksische hof, reikte Bach aan diens opvolger August III in 1733 het “Kyrie” en “Gloria” over van zijn latere h-Moll Messe. Dat Bach die twee hoekstenen in zijn laatste levensjaren uitbreidde tot een grosse katholische Messe moet waarschijnlijk gezien worden in het perspectief van een gebruik ervan bij de opening van de katholieke hofkerk in Dresden.

Het was nochtans niet Bach maar Hasse die de composities mocht leveren voor de opening, in 1751, van de katholieke hofkerk. Dat waren de hier uitgevoerde Mis in d klein en een Te Deum in D groot. Hasse was Johann David Heinichen opgevolgd als hofcomponist en vanaf 1733/34 begon hij daadwerkelijk voor het hof in Dresden te werken. Hij zou dat nog zo een dertig jaar doen, zonder dat hij daarom verzaakte aan de talrijke opdrachten voor Italiaanse en Weense operahuizen – samen trouwens met zijn echtgenote, de beroemde zangeres Faustina Bordoni.

Hasse’s Mis in d klein bestaat uit contrasterende nummers met koren, aria’s en ensembles en fugatische delen die gekozen zijn naar de eisen van de tekst, zoals het fugatisch uitlopend “Amen” bij het Credo en de expressieve aria voor het “Agnus Dei”. Hasse had het componeren in Napels geleerd bij Alessandro Scarlatti en misschien ook bij Nicola Porpora en dat valt hier en daar nog te merken aan de stijl van zijn Mis. Zo roept het overvloeien van dissonerende intervallen in het Christe eleison een expressiviteit op die men onwillekeurig verbindt aan de intro van Pergolesi’s Stabat Mater. Er zitten in deze miscompositie ook enkele originele vondsten die getuigen van het aanpassingsvermogen van de overwegend voor opera schrijvende Hasse. Het tweede “Kyrie II” staat in stilo antico en dat vormt een verrassend contrast met het voorgaande expressieve “Christe Eleison”. Door het “Gratias agimus tibi” in het Gloria eenstemmig te laten verlopen, suggereert Hasse een eensgezindheid in dankbetuiging over de goede afloop van het bouwproject van deze katholieke hofkerk – wat overigens niet echt het geval was in een van oorsprong protestantse omgeving. De inzet van het Credo gebruikt letterlijk het gregoriaanse koraal en bij het “Et incarnatus est” verhoogt het gebruik van het lage register bij de vocale solisten – met uitsluiting van de sopraan! - in hoge mate de expressiviteit van de tekst. Ook de paukenslag, die de koor- en orkestinterventies op de teksten “Et expecto” / “resurrectionem mortuorum” van elkaar scheidt, verhoogt de suggestieve kracht van de tekst. Het koor speelt een belangrijke rol in deze mis, maar ook het orkest wordt zeer gedifferentieerd ingezet. Uiteraard klinken de trompetten bij elke tekst die de woorden “gloria” of “glorificatur” bevat en omgekeerd spelen de strijkers in sordino bij zeer zangerige nummers, zoals de sopraansolo op “Domine Deus” uit het Gloria. Dat Hasse in sommige fugatische delen de strijkers in het octaaf laat spelen bij de colla parte passages met het koor zal menigeen misschien ontgaan, maar het draagt wel bij tot een schitterende samenklank.

 

 

sideBar