22 & 23 mei '14: V. Rathgeber & J.S. Bach

Johann Sebastian Bach (1685 – 1750)

Kyrie uit Missa in F (BWV 233)

Valentin Rathgeber (1682 – 1750)

Vesperae solennes de Dominica

Johann Sebastian Bach (1685 – 1750)

Motet O Jesu Christ, mein's Lebens Licht (BWV 118)


donderdag 22 en vrijdag 23 mei 2014, 20.00u
Protestantse kerk, Brabantdam, Gent (hoek met St. Kristoffelstraat)

------------------------------------

Vesperae solennes de Dominica

Valentin Rathgeber en Johann Sebastian Bach

In dit mei-concert brengt Vox Mago een zondagvesper, d.w.z. een avonddienst op zondag zoals die in de Rooms-katholieke eredienst gebeden wordt. Luther stond weigerachtig tegenover getijden in het algemeen, maar toch gebruiken ook sommige protestantse kerken de term 'vespers' voor een avonddienst.

In principe bestaan de Romeinse vespers uit een openingsvers Deus in adiutorium, vijf psalmen, een korte schriftlezing, een hymne, een vers, een Magnificat met antifoon, gebeden en slotformules (o.a. Benedicamus Domino). In de vespers bij monnikengemeenschappen volgens de Regel van Benedictus volgt er op de schriftlezing een responsorium en na het Magnificat wordt er een korte litanie gezongen, het Kyrie eleison, en een Pater noster.

Rathgebers Vesperae solennes de Dominica omvat een Deus in adiutorium, vijf psalmen en het Magnificat. Die psalmen zijn respectievelijk:

  • Ps. 110: Dixit Dominus [De Heer spreekt tot mijn heer]
  • Ps. 111: Confitebor [Ik wil de Heer loven met heel mijn hart]
  • Ps. 112: Beatus vir [Gelukkig de mens met ontzag voor de Heer]
  • Ps. 113: Laudate pueri [Loof, dienaars van de Heer]
  • Ps. 117: Laudate Dominum [Loof de Heer, alle volkeren]

Voor het Kyrie grijpen wij in dit concert terug naar de Lutherse Missa in F (BWV 233) van Johann Sebastian Bach en wij besluiten met diens motet O Jesu Christ, mein's Lebens Licht (BWV 118) op een hymne van Martin Behm (1610).

Valentin Rathgeber (1682–1750) was een tijdgenoot van Bach en Benedictijnermonnik. Met zijn makkelijk uitvoerbare muziek verwerft hij al tijdens zijn leven een ruime bekendheid, vooral en met name in Zuid-Duitsland. Zijn succes dankt hij niet alleen aan zijn religieuze muziek, maar ook aan zijn Augsburger Tafel-Confect, een "muzikaal dessert” van vierstemmige liedbewerkingen met basso continuo, en aan zijn instrumentale muziek, bijvoorbeeld de Pastorellen vor die Weyhnacht-Zeit op. 22 (1741).

Als zoon van een muziekleraar en organist, treedt Valentin Rathgeber uiteindelijk in de voetsporen van zijn vader. Aanvankelijk gaat hij aan de Universiteit van Würzburg Retoriek, Wiskunde en Recht studeren, en kiest er uiteindelijk voor Theologie. Hij wordt echter muziekleraar en, nog steeds in Würburg, organist aan het fameuze Juliusspittal. In 1707 benoemt het klooster in Banz bij Coburg in Saksen hem tot organist. Hetzelfde jaar treedt hij binnen in het klooster en vier jaar later wordt hij er priester gewijd.

Indien Rathgeber tot dan toe geen blijk had gegeven van een overdreven assertiviteit, dan verandert dat nà 1721, wanneer hij succes begint te kennen met zijn composities. De componist wil zijn blik verruimen en hij vraagt aan de abt toestemming om een studiereis te ondernemen doorheen Europa. Als die weigert, trekt Rathgeber dan maar zonder toestemming, vanaf 1729, van de ene Benedictijnerabdij naar de andere tot in de Steiermark (Oostenrijk) en Hongarije. Tussen 1734 en 1737 verblijft hij hoofdzakelijk in München en Augsburg.

Wanneer hij in 1738 terugkeert naar het klooster in Banz wordt hij er 17 dagen vastgezet, moet biechten en boete doen, maar wordt tenslotte terug opgenomen in de Communauteit. Hij componeert dan nog voornamelijk een vervolg op zijn Tafel-Confect – waarvan de volledige naam luidt Ohren-vergnügendes und Gemüth-ergötzendes Tafel-Confect [Ndl.: Een voor het oor welgevallige en voor de geest verrukkelijke tafelcompositie] en het instrumentale Musikalische Zeit-Vertrieb (1743).

Valentin Rathgebers Vesperae solennes de Dominica verschenen in 1732 bij Lotter in Augsburg als deel van een groter werk, de Psalmodia verpertina. Die bevatten o.m. ook nog een Mariavesper, een Apostelenvesper, vijf psalmen en een Magnificat. Zij ontstonden dus tijdens Rathgebers Wanderjahre. De Psalmodia vespertina werden aan graaf Ernst von Montfort opgedragen en in zijn kasteel aan het Bodenmeer uitgevoerd.

De muzikale vereisten die Rathgeber aan de uitvoerders stelt, lieten en laten een uitvoering toe, niet alleen door kathedraalkoren, en buiten de grote muzikale centra. Om een zo groot mogelijke afwisseling te verkrijgen in het muzikale discours, gebruikt Rathgeber met succes de formule van een missa concertata met frisse solobeurten ingepast in omkaderende tuttikoren. Met enkele feestelijke trompetpartijen geeft hij bovendien een "zondagse" glans aan deze vespermuziek.

Het "Kyrie" uit de Missa in F komt uit één van Bachs vier Lutherse Missen (BWV 233-236). De term Missa is in de Lutherse eredienst beperkt tot de eerste ordinariumonderdelen, Kyrie en Gloria, en die vier "Missen" zijn daar inderdaad toe beperkt. Bachs Lutherse Missen zijn parodiemissen, d.w.z. dat zij (voor driekwart) bestaan uit omgewerkte stukken uit Bachs vroegere cantaten, en dan voornamelijk uit de cantates Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben (BWV 102), Sehe zu daß deine Gottesfurcht nicht Heuchelei sei (BWV 179) en Es wartet alles auf dich (BWV 187).

Het "Kyrie" dat onze interesse wegdraagt, gaat terug op een alleenstaand stuk Christe, du Lamm Gottes (BWV 233a) dat gebruikmaakt van een koraalmelodie die Luther in 1528 op deze tekst componeerde. Dat is er nog aan te zien, want in de drie delen van deze litanie (Kyrie, Christe, Kyrie) weerklinkt Luthers compositie in lange notenwaarden, alla breve dus, als een cantus firmus, gespeeld door de twee hobo's en de hoorns. De drie thema's voor het polyfone weefsel zijn echter ook afgeleid van Luthers koraalmelodie: men zou kunnen zeggen dat zij er in een vraag-antwoordrelatie mee staan.

Bachs motet O Jesu Christ, mein's Lebens Licht (BWV 118) werd aanvankelijk – door Schmieder - onder de cantates gerangschikt en zo staat het er vandaag nog steeds. Het is echter een polyfone compositie gebaseerd op een hymne, zonder aria's noch recitatieven, waarbij Bach ook twee hoorns en een koor van cornet en drie trombones had voorzien, die de vier koorstemmen colla parte ondersteunen. Zowel de bezetting met een begeleidend blazerskoor als de polyfone schrijfwijze verwijzen naar de prima prattica, een muziekpraktijk uit de Renaissance.

Bach zelf maakte een scherp onderscheid tussen deze manier van schrijven en wat hij de Figural Musik noemt - wij zouden vandaag spreken over een barokke contrapunt. In zijn beroemd hervormingsschrift van 23 augustus 1730 – Kurtzer Entwurff einer wohlbestallten Kirchenmusik - gericht aan de Leipziger stadsmagistraat, bepleit Bach niet alleen een ideale bezetting voor de Figural Musik in de Leipziger kerken die aan zijn muzikale directie waren toevertrouwd, maar laat hij tevens uitschijnen dat een motettenkoor het minimum minimorum is, van wat aan een koor kan worden verlangd:

Zu iedwedem musicalischen Chor gehören wenigstens 3 Sopranisten, 3 Altisten, 3 Tenoristen und eben so viele Baßsisten, damit, so etwa einer umpaß wird (...), wenigstens eine 2 Chörigte Motette gesungen werden kann.

Bachs meer bekende motetten zijn niet meteen de eenvoudigste koorliteratuur - men denke aan Jesu, meine Freude (BWV 227). Eén en ander zegt wel iets over de muzikale eisen die Sebastian Bach stelde - ook en in het bijzonder als Director Musices in Leipzig. Overigens is het karakter van Bachs motetten vaak treurmuziek: dat geldt zowel voor het reeds genoemde motet als voor Fürchte dich nicht (BWV 228) en het innige Komm, Jesu, komm (BWV 229), en trouwens ook voor het motet BWV 118 waarmede dit concert besluit.


Ignace De Keyser (musicoloog)


sideBar