12 & 13 mei '17: W.A. Mozart - Requiem

Flyer Requiem

Wolfgang Amadeus Mozart (1756 – 1791)

Vesperae Solennes de Confessore (KV 339)

Requiem in d klein (KV 626)

Helena Maes, sopraan
Clint van der Linde, alt
Joris Bosman, tenor
Joris Stroobants
, bas

vrijdag 12 en zaterdag 13 mei 2017, 20.15u
Onze-Lieve-Vrouw Presentatiekerk
Lange Violettestraat 77
9000 Gent

------------------------------------

Wolfgang Amadeus Mozart

Vesperae Solennes de Confessore K. 339 en Requiem K. 626 

Ignace De Keyser, musicoloog

In principe bestaan de vespers volgens de Rooms-katholieke liturgie uit een openingsvers “Deus in adiutorium”, vijf psalmen, een korte schriftlezing, een hymne, een vers, een Magnificat met antifoon, gebeden en slotformules (o.a. “Benedicamus Domino”). 

Mozarts Vesperae solennes de confessore  K. 339 uit 1780, gecomponeerd voor de kathedraal van Salzburg, zijn gebasserd op vijf psalmen en het Magnificat. In overeenstemming met de eisen inzake beknoptheid vanwege de Salzburgse prinsbisschop, ligt het “debiet” waarmede de teksten worden voorgedragen vrij hoog. Soms lopen verschillende teksten zelfs over elkaar heen in het polyfone weefsel. Daardoor blijft er weinig gelegenheid over voor ver doorgedreven “affecten” in het muzikale discours, zelfs al geven de teksten daartoe aanleiding. Enkele van die spaarzame, zeer expressieve momenten vindt men bijvoorbeeld op de tekstdelen “confregit” en “conquassabit” in de psalm “Dixit dominus”, en op “et humilia respicit in coelo et in terra” in de psalm “Laudate pueri”. Deze laatste psalm valt trouwens ook op omwille van zijn imitatieve polyfonie in stilo antico. Ook de psalm “Laudate Dominum” valt op, maar dan omwille van het lyrische vraag-antwoordspel tussen de sopraansolo en het koor; het Magnificat door de ruime afwisseling in de tekstexpressie.

De bezetting van de Vesperae omvat een vierstemmig koor, twee violen, twee hoge trompetten (“Clarini”) met pauken, drie trombones, orgel en instrumentale bas (cello, contrabas en fagot). Die bezetting is standaard voor religieuze muziek zowel in de kathedraal van Salzburg als in de Weense Sankt Stephansdom.


... van de Vesperae naar het Requiem ...

III. 1. A. Bassethoorn in F met 10 kleppen van Theodor Lotz, Wenen, ca. 1790 [Germanisches Nationalmuseum, Neurenberg MI135]. Lotz was de bouwer van de bassethoorns en bassetklarinetten die de Stadlers speelden.III. 1. B. Moderne bassethoorn in F - Buffet Crampon, Parijs, model “Prestige”.

Merkwaardigerwijze verwijzen zowel de bezetting met trompetten en trombones, alsook het thema van “Laudate pueri” naar het Requiem. Het thema van “Laudate pueri” is namelijk verwant aan dat van het “Kyrie” uit het Requiem. Dat Mozart in het Requiem trompetten en trombones voorschrijft – de laatsten colla parte met de onderste koorstemmen -  laat vermoeden dat hij de opdracht van von Walsegg (zie de ontstaansgeschiedenis van het Requiem in een apart kader) heeft aangegrepen om een Requiem te schrijven voor gebruik in de Sankt Stephansdom. Daar wordt Mozart op 7 mei 1791 als assistent-kapelmeester benoemd, net in de periode wanneer hij de opdracht voor het Requiem krijgt. Dat Mozart ook nog bassethoorns (III. 1) toevoegt aan de bezetting van het Requiem, ligt in de lijn van zijn experimenten met die instrumenten - en met de bassetklarinet. In zijn laatste levensjaar schrijft Mozart namelijk zowel het klarineconcerto, als delen uit zijn opera’s Die Zauberflöte en La Clemenza di Tito voor beide laag gestemde klarinettypes – en voor zijn vriend en virtuoos op die muziekinstrumenten, Anton Stadler.


Bronnen voor Mozarts Requiem

Ook al valt er een zekere motivische verwantschap te bespeuren tussen Mozarts Requiem en voorbeelden van Handel, Florian Gassmann,Michael Haydn en Heinrich Ignaz Franz von Biber,  toch ligt het verband tussen vroegere (barok)composities veel meer op het vlak¬ van retoriek en affect. Zo nodigt de tekst “Requiem aeternam” als vanzelfsprekend uit tot het gebruik van een gedragen ritme en een langzaam tempo in mineur, “Quam olim Abrahae” tot een stuwend anapest-ritme. Het thema van de “Kyrie” fuga anderzijds is heel archetypisch, en het tegenthema daarvan is een typische vorm van “recurrente” barokke melodievoering. Overigens wijken de Requiem en Kyrie-fuga’s bij Mozart ten gronde af van het Handeliaans model, zowel in de baslijn van de eerste maten als in de centrale rol die de bassethoorns krijgen, met hun donker timbre in een overigens nog veel weidser uitgesponnen contrapunt dan bij Handel.

Voor de melodie op de tekst “Te decet hymnus in Sion” grijpt Mozart terug naar de tonus peregrinus, een aparte psalmtoon uit het Gregoriaanse koraal. Ook Michael Haydn  gebruikt die tonus peregrinus¬ trouwens in zijn Requiem in do mineur, en Mozart zelf in de Maurerische Trauermusik K. 477 uit 1785. Bach doet hetzelfde in het “Suscepit” van zijn Magnificat BWV 243a, een werk dat Vox Mago al in 2014 uitvoerde.

Het torso van Mozarts Requiem, d.w.z. de stukken die hij in een partituur met alleen de hoofdstemmen en basso continuo [particella] heeft nagelaten (zie verder), zijn zeer erg gediversifieerd, en vertonen een  grote expressieve eigenheid die onmiddellijk verband houdt met de tekst. De voorbeelden zijn talrijk, maar denken wij alleen al maar aan de zachte smeekbede die uitgaat van “requiem aeternam”, en hoe sterk die contrasteert met het felle licht van “et lux perpetua luceat eis”; hoe de tonus perigrinus op de tekst “te decet hymnus in Sion” contrasteert met de heftige roep van het “exaudi orationem meam”. Of neem het letterlijk daverende “confutatis” en het verschil met de innige smeekbede “voca me cum benedictis”. Het contrast valt vooral op als men die delen vergelijkt met die van de Vesperae solennes de confessore K 339. Daar holt de tekst - letterlijk – voort, slechts nu en dan opgehouden door een motief dat expressie geeft aan een enkel detail in de tekst. Eigenlijk zou men kunnen zeggen dat die specifieke expressiviteit voor elk zinsdeel, die het Requiem kenmerkt, overeenkomt met wat later in de romantiek gebruikt wordt.


Süβmayrs toevoegingen in Mozarts Requiem

Bij Mozarts overlijden is alleen de partituur klaar van het eerste deel, het “Requiem aeternam”. Het “Kyrie”, de Sequentia-delen (“Dies Irae” tot “Lacrimosa”) en het “Offertorium” bestaan in “particella” d.w.z. zangstemmen en basso continuo, en enkele orkestpartijen, zoals de trombonesolo uit het “Tuba mirum”. Van het “Lacrimosa” bestaan er niet meer dan de eerste acht maten in Mozarts handschrift, en van “Sanctus”, “Benedictus” en “Agnus Dei” ten hoogste summiere schetsen. In verband met die schetsen heeft Mozarts weduwe, Constanze, het over “Trümmer” of “Zettelchen”, maar het bestaan ervan is niet bewezen. Dergelijke schetsen zijn eigenlijk alleen maar aannemelijk voor het “Agnus Dei”,  waar Süβmayr waarschijnlijk op schetsen van Mozart kon terugvallen, niet voor het “Sanctus” en “Benedictus”.  De partituur die Franz Xaver Süβmayr aflevert in maart 1792 met zijn toevoegingen – de zogenaamde Ablieferungspartitur - is tot op vandaag de meest gespeelde versie. Zij wordt echter al in een vroeg stadium bekritiseerd, bijvoorbeeld tijdens de Requiem-Streit tussen Abbé Maximilian Stadler en Gottfried Weber [1826] waar het probleem van de authenticiteit van de partituur op scherp wordt gesteld. Die discussie is in recente tijd weer sterk opgelaaid en zij heeft aanleiding gegeven tot een vijftiental alternatieve versies die zich vooral toespitsen op de nieuw gecomponeerde delen van Süβmayr en op diens harmonisatie en orchestratie van de door Mozart afgeleverde particella


Ontstaansgeschiedenis van Mozarts Requiem en eerste uitvoeringen ervan

Mozarts Requiem behoort tot de meest bekende werken uit het klassieke repertoire. De ontstaansgeschiedenis ervan leest als een roman. In de literatuur, theater en film [Amadeus van Miloš Forman], werden/worden daarrond nogal wat mythen geweven. Het werkelijke verloop van de feiten laat zich als volgt samenvatten:  

1. Mozart schrijft zijn Requiem op bestelling, en hij krijgt die bestelling via een tussenpersoon. Naderhand blijkt de opdrachtgever graaf von Walsegg te zijn: de graaf wil een Requiemmis uitvoeren voor zijn op 14 februari 1791 overleden echtgenote, en ze bovendien laten doorgaan als zijn eigen compositie. Hij zal dat trouwens ook doen, als Requiem composto del conte Walsegg, met name op 14 december 1793, en op 14 februari 1794, de derde verjaardag van het overlijden van zijn echtgenote;

2. Wanneer precies de opdracht valt, is niet geweten: misschien in de lente, misschien in de zomer van 1791, maar hoedanook in een uiterst drukke periode voor de componist. Tussen april en juli werkt Mozart aan Die Zauberflöte en tussendoor, op 17 juni, schrijft hij zijn beroemde Ave verum K 618. De hele maand augustus gaat op aan zijn opera La Clemenza di Tito, en voor de uitvoeringen daarvan is hij in Praag tussen 25 augustus en 15 september. Na zijn terugkeer uit Praag, schrijft hij nog de ouverture en de “Priestermars” voor Die Zauberflöte en die gaat in première op 30 september. Zijn fameus klarinetconcerto K. 622 is klaar op 7 october, de Freymaurer Cantate K 623 op 15 november;

3. De datering van de partituurbladen, die Mozart voor zijn manuscript gebruikt, leert dat hij slechts na zijn terugkeer uit Praag, dus na 15 september, aan het Requiem begint te werken. In november krijgt hij rheumatische koorts – er heerst dan een epidemie in Wenen. Rond 20 november moet hij het bed houden, hij schrijft niets meer, en op 5 december overlijdt hij, het Requiem onafgewerkt achterlatend;

4. Op verzoek van Mozarts weduwe, Constanze Weber, vervolledigt eerst Joseph Eybler de partituur van het Requiem, en als die afhaakt – misschien omdat hij een aanstelling krijgt als dirigent - vraagt Constanze aan Franz Xaver Süβmayr om het werk te vervolledigen. Süβmayr levert zijn partituur af – die terecht de Ablieferungspartitur wordt genoemd – in de lente (maart ?) van 1792. 

Het koor van de Michaelerkirche in Wenen


Op 10 december 1791, vijf dagen na Mozart’s overlijden, weerklinken “Requiem aeternam” en “Kyrie” in de Michaelerkirche in Wenen (III. 2) in een uitvaartdienst voor Mozart betaald door Schikaneder – voor wiens Theater auf der Wieden Mozart Die Zauberflöte had geschreven, en die er tevens de rol van Papageno in vertolkte. Voor die uitvoering moesten tenminste de partijen voor trompetten en pauken van die beide delen worden aangevuld, maar wie daarvoor instond is niet geweten - misschien iemand uit Schikaneder’s omgeving. 


De eerste publieke uitvoering van het volledige Requiem, met de aanvullingen dus van Süßmayr, vindt plaats op 2 januari 1793 in de Jahn-Saal in Wenen. Het is een benefietconcert ten voordele van Mozart’s weduwe, georganiseerd door baron van Swieten, de man die Mozart in de muziek van Bach had ingewijd. 


Cisterciënzer Neukloster in Wiener Neustadt, toneel van de eerste uitvoering van het Requiem composto del Conte Walsegg (eigenlijk Mozart’s Requiem) op 14 december 1793, olv de opdrachtgever, graaf von Walsegg

  

Pas op 14 december 1793, twee jaar na Mozart’s overlijden, kan von Walsegg het Requiem voor zijn overleden echtgenote dirigeren als zijn eigen compositie – letterlijk, want met als titel: Requiem composto del Conte Walsegg, en netjes overgeschreven in zijn handschrift. Die uitvoering vindt plaats in de kerk van het Cisterciëncer Neukloster in Neustadt (Wenen) (III. 3). 


Op 14 februari 1794, de derde verjaardag van het overlijden van zijn echtgenote, dirigeert hij het Requiem opnieuw in de bedevaartskerk van Maria Schutz nabij Semmering, in de buurt van zijn kasteel Stuppach, en opnieuw stelt hij het voor alsof het om een eigen compositie gaat. Dat is dan de laatste keer. 









sideBar