10 & 11 mei '12: Membra Jesu Nostri (Dietrich Buxtehude)


Dietrich Buxtehude (1637 - 1707), cantatencyclus Membra Jesu nostri

donderdag 10 & vrijdag 11 mei 2012, 20.15u
Protestantse kerk, Brabantdam, Gent (hoek met St. Kristoffelstraat)

------------------------------------

Eind 1705, anderhalf jaar vóór zijn overlijden kreeg Dietrich Buxtehude (ca. 1637 – 1707) in Lübeck het bezoek van de 20-jarige Bach die „één en ander over muziek“ wilde weten. Om Buxtehude te horen en van hem te leren, had Sebastian de 400 km tussen zijn toenmalige post in Arnstadt en de Hanzestad te voet afgelegd. Hij deed er twee weken over. Sebastian bleef vier maanden weg en kreeg bij zijn terugkeer in Arnstadt een fikse uitbrander van het Consistorium omdat hij de toegestane tijd van een maand ruim had overschreden.

Membra Jesu NostriMen kan eigenlijk zeggen dat de receptie van Buxtehude in Bach’s voetsporen is getreden. De 19de eeuw roemde Bach in de eerste plaats om zijn orgel en klaviercomposities. Ook Buxtehude werd in de eerste plaats om zijn orgelcomposities geroemd en net zoals bij Bach kregen zijn (112 overgebleven) cantates maar mondjesmaat aandacht. Vandaag is ook deze muziek met zijn indringende expressiviteit terug van weggeweest voor een breder publiek.

Dietrich Buxtehude was organist aan de Marienkirche in Lübeck vanaf 1668 tot aan zijn dood. Als dusdanig moest hij in de eerste plaats de voor en naspelen in de zondagdienst verzorgen. Daarnaast moest hij zich ook bezighouden met de Abendmusiken die in 1646 door zijn voorganger Franz Tunder waren gesticht. Buxtehude verschoof die Abendmusiken naar het einde van het kerkelijk jaar en naar de adventstijd.

In feite werd er van de organist van de Marienkirche van oudsher veel meer verwacht, bijvoorbeeld dat hij orgel zou spelen of muziek zou voorzien in de ochtend, vóór beurstijd, wanneer de kooplui hun opwachting maakten. Hij was bovendien – net zoals Bach, later in Leipzig – een soort stedelijk muziekdirecteur die instond voor de muziek bij burgerlijke plechtigheden, bij feesten van Lübeck’s patriciërsfamilies en bij huwelijken en begrafenissen. Een groot deel van Buxtehude’s cantates en sonates zijn ontstaan naar aanleiding daarvan.

Waarschijnlijk hebben de Abendmusiken gaandeweg de ochtenduitvoeringen verdrongen. De vraag wat er daar nu precies op het programma stond is niet meer te beantwoorden: de programmaboekjes uit Buxtehude’s tijd gingen in verschillende golven verloren. Zeker werden er ook cantates en instrumentale stukken uitgevoerd. Overigens is de muziek van Buxtehude’s specifieke composities voor die Abendmusiken verloren gegaan. Van Castrum doloris en Templum honoris, welke Bach misschien gehoord heeft tijdens zijn verblijf in Lübeck in 1705, bestaan echter de libretto’s nog.

Dat er nog cantates van Buxtehude bewaard zijn gebleven, is in grote mate te danken aan de Zweedse organist en componist Gustav Düben (1628 - 1690), vriend van Buxtehude en trouw verzamelaar van diens werken die trouwens meestal in tablatuur gesteld zijn. Aan Düben droeg Buxtehude ook de cantatencyclus - of oratorium, als men zo wil - Membra Jesu nostri (1680) op. Die zeven cantates behoren tot een groep van 21 cantates van Buxtehude op Latijnse tekst en zij waren bestemd voor de passietijd. De beschouwingen bij verschillende lichaamsdelen van de gekruisigde Christus vormen mystieke literatuur en die werd blijkbaar ook door Lutheraanse piëtisten gesmaakt. Volgens recent onderzoek gaat de tekst terug op Arnulf van Leuven (ca. 1250).

In alle zeven cantates van Membra Jesu nostri volgt Buxtehude een gelijkaardig patroon: een instrumentale inleiding (“sonate”), een “concerto” voor de vijf stemmen (SSATB) met strijkers en continuo, drie aria’s voor telkens een andere vocale solist en tenslotte de herhaling van het “concerto” van de inleiding. Er zijn twee uitzonderingen: in de eerste cantate herhaalt het koor de eerste aria na het “concerto”, de laatste cantate sluit af met een Amen dat volgt op de laatste aria gezongen door alle vijf de stemmen. De solo aria’s zijn in de regel chaconnes, d.w.z. dat de bas ongewijzigd blijft en de melodielijn telkens verandert. Dat verleent hen een structurele samenhang. Zij worden ook telkens met een instrumentaal ritornello afgesloten.

Men kan in de expressieve, vaak smachtende declamatie in deze cantates een Italiaanse invloed onderkennen en dat kan verwonderen voor een honkvaste componist als Buxtehude die Lübeck maar verlaten heeft voor reizen naar het nabijgelegen Hamburg. Men moet dan ook weten dat Italiaanse partituren vlot circuleerden in muzikale kringen in Lübeck. In de verzameling van Düben werden er tientallen gevonden, o.m. van Carissimi en Durante. Dergelijke expressieve momenten zijn eveneens een vast bestanddeel van andere Noordduitse muziek o.m. van Franz Tunder.


sideBar